Zwemles 25 dan maar
Na wat gestress op werk en het overslaan van een zwemles, was het deze week weer tijd voor een ontspannen zwemles. Elke keer laat ik me er zelf in trappen dat de les een ontspannen 45 minuten gaat zijn. Er moet echter elke keer wel een stapje extra gezet worden en elke les ervaar ik dus op een gegeven moment opnieuw de angst die me zolang uit het water gehouden heeft.
Deze keer werd de bodem niet zo laag gezet als de vorige keer. 1.45 is een goede diepte, waarbij ik met platte voeten kan staan met m’n kin net boven water. Genoeg vertrouwen om op de rug te gaan liggen en een paar baantjes te zwemmen. De schoolslag is sowieso geen probleem wat dat betreft. Wat deze les er echter bij kwam is het draaien tijdens het zwemmen. En dan bedoel ik dus niet een bochtje maken, maar draaien van buik naar rug en andersom.
Eerst van buik naar rug. ‘Probeer tijdens het zwemmen achter te kijken en voel hoe je lichaam reageert.’ Ik draai langzaam mijn hoofd, mijn heupen draaien bijna mee, maar dan sta ik al op de bodem. Ik heb nu eenmaal behoefte aan controle en die ervaar ik met name met beide benen op de grond. ‘Goede eerste poging’ wordt mij toegeroepen. Ok, ik hoef niet alles in 1 keer goed te doen. Tweede poging gaat ongeveer als eerste poging, derde poging is de spartelpoging, wat inhield dat ik dus een beetje controle opgaf met het idee ‘ik kan altijd nog adem inhouden en ontspannen en gaan drijven’. Tijdens het spartelen worden echter op een gegeven moment toch maar de voeten op de grond gezet.
Poging vier is succesvol. Ik draai rustig van buik naar rug, mijn benen bewegen in het water in een poging richting oppervlak te komen ipv bodem, ik leg mijn hoofd achterover met mijn oren onder water, de golven overspoelen mijn kin en mijn tenen komen bovendrijven. ‘En beenslag.’ Ik zwem met een glimlach op mijn rug verder. Niet dat ik een lelijke glimlach-tatoeage op mijn rug heb, maar meer dat ik glimlach en tegelijkertijd op mijn rug zwem. Dit moet worden herhaald en het lijkt steeds makkelijker te gaan. Tot het moment dat ik overmoedig word en zonder plan in mijn hoofd me begin te draaien. Opnieuw spartelen de benen en zet ik voet aan bodem. Goed, ik kan het, maar routine kost meer tijd.
Van rug naar buik dan. ‘Je tilt je hoofd iets op, gaat de andere kant opkijken en je lichaam draait vanzelf mee.’ Daar waar rug voor mij gelijk staat aan weinig controle en buik aan veel controle, ging ik er vanuit dat dit makkelijk zou gaan. Weer te overmoedig gedacht. Het is juist dat het staan vanuit buikhouding eenvoudiger is, dat er voor zorgt dat ik geneigd ben om meteen te gaan staan. Het heeft denk ik opnieuw 4 pogingen nodig om te slagen. En als ik dan toch op de buik zwem, kan ik ook wel weer terugdraaien. Zo gezegd, zo gedaan… spartel, spartel… en daar sta ik weer… Dat was niet de bedoeling, maar vooruit, ‘niet alles hoeft in 1 keer goed te gaan’.
Uiteindelijk draai ik 2 keer van buik naar rug en 2 keer van rug naar buik alvorens ik ga staan. Het is mooi geweest. Nog één baantje schoolslag richting trapje en de handdoek wacht.
