Zwemles 29 t/m 32
Zwemmen met flippers blijft angstig. Voor mij is het belangrijkste van zwemmen te allen tijde dat ik kan staan of iets kan vastgrijpen waardoor ik boven water blijf. Om te gaan staan, is een vorm van evenwicht nodig en natuurlijke beweging. ‘Als ik mijn voeten omlaag breng, moet mijn hoofd naar boven gaan.’ Met flippers aan is die logica een beetje verdwenen, omdat het water (of eigenlijk de weerstand) totaal anders reageert als er flippers gedragen worden. De snelheid van flippers mag dan wel toenemen, mijn gevoel voor onbalans en zelfredzaamheid ook. Het zou toch niet zo moeilijk moeten zijn om ook zonder flexi boven te blijven.
Op de rug wordt de flexi onder mijn nek gelegd en zwem ik in recordsnelheid naar de overkant. Het gaan staan is echter het probleem waar ik bij de start en onderweg constant aan denk. Het zou zonder flexi makkelijker moeten zijn, want nu moet ik een aantal dingen tegelijk doen, de flexi naar achterschuiven, mijn hoofd naar voren (kin op de borst), mijn voeten naar beneden en mijn knieën optrekken.
Op de buik houd ik de flexi voor me en rust er met mijn ellebogen op. Flipper, flapper, en ik ben aan de overkant en laat me als een walvis het tegelwerk opstuwen. Nouja, mijn handen dan, ik grijp de rand, draai halve slag en zet mijn flippers op de grond. Ondertussen probeer ik mijn hoofd onder water te houden en mijn adem uit te blazen, dan mijn hoofd boven water naar de zijkant, adem in te nemen en weer hoofd onder water, totdat ik mijn ogen niet meer openkan of aan de overkant ben geraakt.
Het moeilijke van flipperen zonder flexi is dat ik niet weet wat met mijn handen moet doen. Ik ben bang dat ik voorover (op de buik) of achterover (op de rug) het water in kukel en mijn flippers mij naar de bodem brengen zonder mij weer naar boven te brengen, omdat ik mijn voeten niet onder mijn lichaam krijg door de weerstand. De crawl armbeweging zit er namelijk nog totaal niet in.
Het springen in het water gaan eenvoudiger als ik kan staan, maar ze hebben me inmiddels één keer zover gekregen om in het diepe te springen vanaf de zijkant. Een hele belevenis. Mijn tenen over de rand voelen het water over de rand klotsen. De rimpels in het heldere water vertekenen misschien de diepte, maar 3 meter is 3 meter. Ik vlieg, ik land, ik zak door de grond, de benen worden omringd door water en mijn snelheid naar beneden neemt toe. Mijn ogen zijn dicht terwijl het water stijgt en stijgt. Mijn schouders zijn verdronken en nog steeds ga ik met een rotvaart richting bodem. Wanneer is het moment dat de juf denkt: ‘Dit gaat niet goed, ik moet erin’? Mijn kin, neus, ogen, oren, haar, alles zit onder water en ik ben nog bij bewustzijn. Ik besef me dat ik dieper onder water ben dan ooit tevoren en dat ik niet automatisch naar boven lijk te gaan. Paniek! Als ik niks doe, blijf ik langer onder water dan ik lucht heb. Die hield ik namelijk al in toen ik de rand verliet, toch zeker zo’n 10 minuten geleden. Ik moet mezelf naar boven krijgen, niemand die een arm om mijn middel gooit, geen zeemeermin die uit het putje tevoorschijn komt. Mijn benen beginnen te bewegen, de watertrapbeweging. De eerste haren komen boven en halen adem, al snel doet mijn mond hetzelfde. Met mijn ogen dicht zwem ik naar de kant die wel 10 meter ver is. Mijn handen grijpen de rand, ik hijg alle lucht van de gehele ruimte in en uit en langzaam gaan mijn ogen weer open.
De juf geeft aan hoever ik ongeveer onder het wateroppervlak was, een meter ongeveer. Veel verder dan ik had gedacht toen ik nog op de rand stond. Dit komt mede doordat ik als een liniaal naar beneden ging en niet als een passer met zijn ledematen gespreid. ‘En hoe lang denk je dat je onder water was?’ vraagt ze en ik geef natuurlijk het juiste antwoord ’1 á 1,5 seconde. Teleurgesteld zegt ze ‘ja, langer zal het niet zijn geweest’ alsof ze liever had gehad dat ik halve minuut gezegd had. Ik heb het gered, maar om voor mijn lol het water in te springen, dat is nog ver weg.
Het zwembad bestaat uit twee delen, een ‘hier kan je staan’-gedeelte en een ‘hier kom je nog niet op de bodem, al had je het graag, tenzij je heel veel water inslikt en niet meer uit kunt ademen’-gedeelte. Afgesproken is dat ik voortaan ook naar het spannende gedeelte ga, om daar de slagen te doen waar ik vertrouwen in heb. Terwijl de zwemmers daar allerlei oefeningen moeten doen, mag ik er langzaam achteraan zwemmen in schoolslag. Langzaam werd hierbij benadrukt, omdat ik de neiging heb, zwemmen als een sport te zien waarbij je snelheid aangeeft hoe goed je bent. De juf zegt nog dat mijn techniek heel goed is en dat er niets op aan te merken is, en dat dat uit haar mond nogal wat betekent. Mooi, de schoolslag is van mij. Nu het hele kwartet nog bij elkaar grijpen.
